Trots

Verslag van de allerjongste Galérien

Half vijf: de wekker gaat; voor mijn gevoel al de derde keer die nacht. Zal wel door de zenuwen komen, denk ik. Vandaag is de dag dat ik vier keer de Mont Ventoux ga beklimmen. Twee jaar ben ik hier mee bezig geweest; vorig jaar gekeken of het überhaupt wel mogelijk zou zijn de berg drie keer te beklimmen. De mensen om mij heen vonden dat al geweldig maar voor mij was het pas het begin, want ik wilde de Mont Ventoux niet drie, maar vier keer op een dag beklimmen. Nu was het moment aangebroken dat het daadwerkelijk moest gebeuren.

Malaucène
Na een ontbijt, liefdevol de vorige avond door m’n zus klaargemaakt, stap ik op de fiets. Het is nog donker en vrij koud. Zo te merken slaapt, op de bakker na, heel Malaucène nog. Als alles goed gaat ben ik hier over een aantal uur weer terug. Langzaam rijd ik de laatste lichtjes voorbij en kom in de totale duisternis terecht. Ik heb geen idee hoe hard ik op het moment rijd aangezien ik amper iets kan zien. De weg zelf kent voor mij geen verrassingen meer: die ken ik zo langzamerhand uit m’n hoofd. De laatste keer was minder dan anderhalve week geleden.
Na drie kilometer in de duisternis komt er opeens vanachter een groot licht te voorschijn. Het zijn mijn ouders in de auto, die de komende kilometers als een baken van licht achter me zullen aanrijden. Hoe hoger ik kom, hoe mooier het uitzicht: rechts zie je diep in de duisternis de lichtjes van Avignon en Orange.  Een werkelijk prachtig gezicht.
Langzaam komt ook de zon op en wordt het lichter. Na acht kilometer is het licht genoeg om alleen verder te gaan en rijdt de ‘volgauto’ me voorbij. Nog twee kilometer voordat misschien wel het zwaarste stuk van de totale tocht eraan komt. Vier kilometer met gemiddeld 10% stijging: hier heb ik het al vaker moeilijk gehad en ik ben benieuwd hoe het vandaag gaat. Het is in ieder geval wel een goede indicatie over hoe de ‘benen’ vandaag zijn. Het valt me eigenlijk alles mee, ondanks dat ik me wel inhoud - ik moet per slot van rekening nog een kleine honderdnegentig kilometer fietsen - gaat het heel aardig. Na de zware vier kilometer kan ik op weg naar Mont Serrein even bijkomen.
Bij Chalet Liotard staan mijn ouders weer; ik stap even af en eet twee bananen. Ik lig nog precies op schema: 1 uur en 5 minuten ben ik nu onderweg, als ik zo doorga kom ik rond de geplande 1 uur en 40 minuten aan.

De zon rijst steeds hoger in de lucht, ik probeer een wedstrijd met hem te houden wie het eerste op 1912 meter is. Het blijkt een onmogelijke taak: hoe hard ik ook m’n best doe, de zon stijgt sneller dan ik en bereikt als eerste de top van de Ventoux. Niet veel later kom ik ook boven. Na 1 uur en 43 minuten. Drie minuten langzamer dan gepland, maar daar kan ik me niet echt druk om maken. Ik ben volgens mij de eerste fietser vandaag en misschien later op de dag wel zo’n beetje de laatste.
Ik trek een windjack aan en daal om half acht precies de berg af naar Bedoin. Onderweg kom ik drie fietsers tegen die de berg proberen te bedwingen. Ze kijken me alle drie met ongeloof aan… dat iemand nu al weer naar beneden gaat. De afdaling verloopt vrij soepel, alleen moet ik na vier kilometer hard in de remmen, omdat een kudde geiten de weg verspert.  
Om vijf minuten voor acht rijd ik de straten van Bedoin in. Mijn moeder heeft in de tussentijd snel even een paar eclairs gehaald. Want:  “dat eten die echte wielrenners toch ook?” Op het terras bij Relais du Ventoux drink ik snel een café en eet de eclairs op. Hier rustte Simspon ook even voor zijn fatale beklimming van de Ventoux. Ik moet die berg echter nog drie keer op vandaag en ben niet van plan om het loodje te leggen.

Bedoin
Twintig minuten later zit ik weer op de fiets voor de tweede beklimming van de dag: de beklimming vanuit Bedoin. Ik ben nu niet meer de enige die omhoog gaat, voortdurend passeer ik andere wielrijders. Ik krijg er ontzettend veel moed van en ondanks dat ik niet voluit rijd, ga ik toch vrij hard. Na vijf km, vlak voor St-Estève, slaat het noodlot echter toe: ik rijd lek. Mijn ouders waren net voorbij gereden, maar hevig gebarend stoppen ze. Mijn mecanicien, in de vorm van mijn vader, gaat gelijk hard aan de slag om de band te plakken. Bij mij slaat echter gelijk de schrik erin, drie jaar lang niet lek gereden en uitgerekend op de dag van de grootste uitdaging van mijn leven rijd ik wel lek. Na tien minuten zou de band gemaakt moeten zijn… Na vijfhonderd meter sta ik echter weer met een lege band langs de kant van de weg. Opnieuw maakt mijn vader de band en met vijfentwintig minuten oponthoud vervolg ik mijn weg.
Van binnen ben ik echter heel ongerust geworden en dit resulteert in het feit dat ik alle remmen van me afgooi en als een gek begin te fietsen. In drie kilometer haal ik iedereen weer in die mij tijdens het bandplakken had ingehaald. Ik rijd harder dan ooit door het bos en ik krijg langzaam last van een oude kwaal, overmoed genaamd. Mijn vader staat er telkens versteld van hoe snel ik voortdurend passeer en hij probeert me tot rust te manen. Maar ik kan niet rustig aan doen. Ik moet die verloren twintig minuten inhalen. Uiteindelijk kom ik na 1 uur en 51 minuten op de top aan. Zonder de vijfentwintig minuten verlies zou dat betekenen een tijd van 1 uur en 25 minuten. Zo snel ben ik nog nooit geweest en eigenlijk ben ik er niet echt blij mee.
Ik ben nog niet eens halverwege en al redelijk vermoeid. Op de top is het nu al een stuk drukker met veel toeristen en fietsers. Ik haal een stempel bij het souvenirwinkeltje en daal om half elf weer naar Bedoin af.

Bedoin 2
Het wordt steeds warmer en wat ik eigenlijk al een beetje verwacht had gebeurt: ik krijg een ontzettende terugslag en met hoofdpijn en met benen waar het beste al lang vanaf is kom ik om vijf voor elf aan in Bedoin.
Mijn moeder ziet dat ik het moeilijk heb en probeert m’n moraal weer wat omhoog te krijgen. Ze geeft me een paracetamol tegen de hoofdpijn en we gaan weer rustig op het terras zitten. Eerlijk gezegd heb ik nog weinig vertrouwen in het hele gebeuren. Vele gedachten gaan door mijn hoofd: “Waarom moest je nou zo hard gaan rijden net? Heb ik dan toch te weinig getraind?”
De rust doet me wel een beetje goed en na een half uur op het terras gaan we naar de plaatselijke fietsenmaker om de gereserveerde mountainbike op te halen. Twee weken geleden had ik de route forestière al verkend op dezelfde mountainbike die ik nu krijg. Eigenlijk is deze veel te klein voor een Hollander van 1 meter 93, maar de fietsenmaker heeft niks groter en met het zadel op de hoogste stand gaat het redelijk. De mountainbike gaat echter eerst de auto in, ik zal hem pas gebruiken bij het begin van de route forestière. Een heel groot genoegen vind ik zo’n mountainbike namelijk niet.

3de beklimming
Om tien voor twaalf, bijna een uur nadat ik aangekomen was in Bedoin, vertrek ik voor de derde beklimming. Nu gaat het erom spannen. Kom ik boven, dan zal ik puur op wilskracht Sault ook nog wel halen, maar gaat het nu fout, dan zal dit avontuur eindigen in een anticlimax. De eerste acht kilometer over het asfalt eet en drink ik ontzettend veel, aangezien ik straks niet meer te bevoorraden zal zijn. Na acht kilometer kom ik bij het begin van de route forestière aan. Ik voel me nog steeds slecht en ik heb nog steeds weinig vertrouwen in de goede afloop. Maar een bekend spreekwoord luidt: Wie niet waagt wie niet wint, en onder dat mom begin ik aan het eenzaamste stuk van de dag. Met mijn MP3 speler, twee bidonnen en twee bananen in de achterzak vertrek ik. Als alles volgens plan verloopt, zal ik mijn ouders over ongeveer anderhalf uur terug zien.

Route forestière
Ik besluit om telkens twintig minuten te rijden en dan even te stoppen. Het begin gaat redelijk, maar hier is het ook nog niet echt steil. Ik had thuis in Nederland speciaal de finishtune van Radio Tour de France op m’n MP3 speler gezet voor de moeilijke momenten. Na vijfendertig minuten alleen door het overigens prachtige landschap is het daar dan ook daadwerkelijk tijd voor. De weg wordt steiler en ik krijg het steeds moeilijker. De finishtune en het prachtige landschap slepen me in deze fase erdoorheen. De weg blijft echter maar steiler worden en na vijftig minuten gebeurt iets dat eigenlijk alleen gepland was voor de laatste vijfhonderd meter: ik krijg kramp in beide benen en moet afstappen. Ik strek de benen en besluit een nog lichter verzetje te gaan rijden. Ik ga nu tergend langzaam omhoog, maar ik ga omhoog en dat is het belangrijkste. De kramp neemt niet echt af, maar wordt ook niet heftiger. Langzaam maar zeker nader ik Les Grands Pins, vanaf daar zal de weg makkelijker worden. Vanaf Les Grands Pins ontspan ik de benen een beetje en rijd heel rustig naar Tournant de l’Anglais, waar mijn ouders me al op staan te wachten. Ik heb het ergste deel van de dag er opzitten, maar mijn zorgen zijn er niet minder om geworden.

Na een korte stop, waarin ik wat drink en eet, stap ik weer op de racefiets. Het gevoel om weer op een racefiets te zitten in plaats van een mountainbike geeft me gelijk weer nieuwe krachten. Het is iets meer dan vier kilometer vanaf Tournant de l'Anglais en meter voor meter tel ik ze af. Het enige wat ik nu nog doe is overleven en zorgen dat de kramp uit m’n benen blijft.
Om iets over half drie bereik ik uiteindelijk de top voor de derde keer. Twee uur en vijfenveertig minuten nadat ik uit Bedoin was vertrokken. Het lijkt op de top wel alsof de Tour er aankomt: zo druk is het. De auto’s staan tot ver onder de top geparkeerd en bovenop de berg worden de fietsers zowat ondersteboven gereden, een heel groot contrast met enkele uren geleden, toen ik daar nog als enige stond. Ondanks dat de afdaling naar Sault vrij saai is verheug ik me erop: eindelijk een mogelijkheid om de benen even te ontspannen.

Verrassing in Sault
De afdaling verloopt vrij gemakkelijk, al is de weg soms zo vlak dat ik toch moet trappen om nog een beetje vooruit te komen. Ik baal daar nu van, maar straks zal ik me er alleen maar om kunnen verheugen. Na vijfentwintig kilometer kom ik bij het vervelendste stuk van de hele dag: het laatste stukje omhoog voordat je Sault binnenrijdt. Ik merk gelijk dat mijn benen eigenlijk niet echt uitgerust zijn, ik moet aardig worstelen om boven te komen. Om vijf voor half vier kom ik Sault eindelijk binnen rijden.
Hier wacht een grote verrassing: mijn twee tantes zijn samen met mijn zus hier naar toe gekomen om mij te supporteren tijdens de vierde beklimming. Zoals meestal tijdens een zware vermoeidheid is mijn humeur gedaald naar een bedenkelijk niveau en het is dat m’n tantes speciaal voor mij gekomen zijn, anders zou ik nu niet te harden zijn. Ik ben hier twee jaar mee bezig geweest en ik moet en zal nu die berg nog eenmaal op fietsen vandaag. Met deze gedachte vertrek ik om vier uur precies voor de laatste beklimming van de dag.
Ik trap nu absoluut niet meer harder dan ik eigenlijk kan en het is dat de weg niet zo steil is dat ik nog met een redelijke snelheid vooruit kom. Kilometer voor kilometer kom ik dichterbij mijn doel. Om de drie kilometer staan mijn supporters langs de kant van de weg om me omhoog te schreeuwen. Alhoewel ik voor m’n gevoel de uitputting nabij ben, krijg ik langzamerhand toch een goed gevoel. Ik ga vandaag voor de vierde keer boven komen.
Na een uur en vijftien minuten  bereik ik Chalet Reynard, waar ik met de totale aanhang op het terras ga zitten. Ik eet snel even twee crêpes en ondertussen is de supporterschare gegroeid. Mijn oom en tante en mijn nichtje komen mij de laatste 6 kilometer ook omhoog schreeuwen. Vijftien minuten na mijn aankomst bij het Chalet Reynard vertrek ik voor de grote finale, de laatste zes kilometer door het maanlandschap. Ik heb het zwaar, maar de top is in zicht en bij elke bocht staan er mensen die me toejuichen. Erg veel steun van andere fietsers heb ik niet, op dit uur zijn het er nog maar weinig. De laatste kilometer komt langzaam in zicht, al het extra gewicht moet nu van mijn fiets af: bril, bidon, petje alles moet weg. Nu telt er nog slechts één ding: de top bereiken. 

Jolke Roozen - nog steeds de jongste Galérien

Nog negenhonderd meter: ik zal het halen. Achthonderd meter: straks nog een sprintje eruit persen. Zevenhonderd meter: niet denken, fietsen moet je. Zeshonderd meter: nog maar zeshonderd meter.Vijfhonderd meter: nu niet instorten. Vierhonderd meter: nu maar hopen dat er niemand van zestien jaar dit ook gedaan heeft.Driehonderd meter: de laatste bocht aan de buitenkant nemen. Tweehonderd meter: het laatste stukje nog een klein sprintje? Honderd: ik heb het toch maar mooi gedaan. Gedurende de laatste meters maakt een geweldig gevoel zich van me meester. Eigenlijk ben ik wel trots op mezelf. Ik heb iets gedaan wat nog nooit iemand anders van zeventien gedaan heeft, vandaag ben ik vier keer de Mont Ventoux opgefietst.

In een roes naar beneden
Bovenop de berg staat mijn hele familie te wachten en ik word luid toegejuicht. De foto’s worden gemaakt en ik voel me net een echte wielrenner. Na een kwartier besluit ik echter dat het tijd wordt voor het laatste stukje van de dag: de afdaling naar Malaucène. Er zijn vele afdalingen in de wereld maar weinige zijn voor een vermoeide fietser zo fijn als de afdaling naar Malaucène. Zonder te trappen en al te veel remmen rijd je in een roes naar beneden. Op dit eenzame moment dringt mijn prestatie pas langzaam tot me door.
”Mijn naam is Jolke Roozen en ik heb de Mont Ventoux vier keer op een dag beklommen!”

e-max.it: your social media marketing partner